Wetenschapsfilosofie

Only available on StudyMode
  • Pages : 8 (1992 words )
  • Download(s) : 470
  • Published : January 8, 2011
Open Document
Text Preview
Wetenschapsfilosofie
±500 v Chr
Eerste Griekse natuurfilosofen waren op zoek naar een principe dat het onstaan en bestaan van de wereld kon verklaren = oerstof. Thales: Water; verklaring ipv mythische verklaring 17de eeuw
ontwikkeling moderne natuurwetenschap > bepalend voor invloed + status van westerse wetenschap.  < 17e eeuw: wetenschap bepaald door christelijk geloof. 1678
Newton brengt geniaal werk over fundamenten van de natuurkunde> ERKENNING: aarde is niet het middelpunt. Na Giordano Bruno, Galileo Galilei. Beheersbaarheid vd natuurwetten. Doel van de wetenschap: de natuur beheersbaar maken dmv een theorie waarmee nauwkeurige voorspellingen gedaan kunnen worden. Natuurwetten: Beheersbaarheid van de natuur werd het ideaal. “Kennis is Macht” (Bacon)  1626

Francis Bacon: ‘Kennis is macht’ (Boek: het nieuwe Atlantis) een utopie waar welvaart gezondheid en geluk voor iedereen voor het oprapen liggen, dankzij de wetenschap en de techniek.  > pas in de 20ste eeuw toen de voorstellingen wat meer werkelijkheid waren geworden ontstond de wetenschapsfilosofie: Wetenschapsfilosofie

Belangrijkste taak: het verhelderen van wat wetenschap is of zou moeten zijn. Het gaat zowel descriptief (wat het is) als normatief  (hoe het te werk gaat) te werk. Vb. Ging Freud wel wetenschappelijk te werk?

Is wetenschappelijke kennis zekerder of meer waar dan common-sense (alledaagse) kennis? Kenmerken van een goede, wetenschappelijke methode:
-         Toetsbaarheid
-         Welke methode moet men gebruiken? Allemaal het zelfde te werk? Eind 19de eeuw
Wilhelm Dilthey:
• fundamenteel onderscheid tussen
A) natuurwetenschappen en B) mens/geesteswetenschappen.
* A) doel: wetmatigheden verklaren
* B) doel: redenen en bedoelingen begrijpen
Samengevat: “de natuur verklaren we, de geest begrijpen we.” • verschil tussen interpreteren/observeren van menselijk en natuurwetenschappelijke fenomenen. De natuurwetenschappelijke methode boekt meer succes volgens D. gaat er zo kennis verloren

Natuurwetenschappen| Geesteswetenschappen|
natuurkunde, scheikunde, biologie| geschiedenis, letterkunde, filosofie en kunstvakken| Doel: wetmatigheid in de natuur verklaren| Doel: begrijpen van redenen en bedoelingen| Empirisch –analytische methode: methode voor het verklaren van verschijnselen d.m.v. waarneming en logische analyse| Methode van de hermeneutiek: interpreteren van alledaagse uitingen| Object en subject gescheiden| Object en subject vallen voor een deel samen. Onderzoeker ≠ alleen waarnemer, = ook deelnemer|

Natuurwetenschappen
empirisch-analytische methode.
* Empirisch (gaat om kennis via waarneming)
* Analytisch (waarnemingen worden door logische redenering uit theorie afgeleid) Deze methode gaat uit van uniformiteit van de natuur (werkt altijd hetzelfde) > kenmerken: * Herhaalbaarheid van de experimenten

* Atomisme: feiten worden onafhankelijk van elkaar beschreven (gebruik v. zowel deductie, uit herhaaldelijke waarnemingen een algemene conclusie trekken, als inductie, algemene conclusies trekken uit afzonderlijke waarnemingen) * Waarneming van verschijnselen

* Opstellen van hypothese om verschijnselen te verklaren
* Toetsen van hypothese door middel v. experimenten
* Het afleiden v. resultaten uit deze experimenten
* Opstellen v. wetmatigheid
Geesteswetenschappen:
Draait niet om verklaren van natuurverschijnselen maar v. menselijke uitingen. Dilthey vindt dat geesteswetenschappen een andere methode moeten gebruiken > VB. je moet een schilderij in een bepaalde context zien, het interpreteren:

Methode van hermeneutiek
* Levenservaring uitgangspunt, geen empirische observatie * Holisme (ipv atomisme): er bestaat een samenhang in de werkelijkheid, die alleen uit een beschouwing van het geheel blijkt. * Historiciteit: gebeurtenissen staan niet los van elkaar maar werken ze in elkaar door> Menselijk gedrag krijgt pas...
tracking img